Conditionering is afgeleid van het Engelse woord ‘conditioning’ en betekent ‘van voorwaarden afhankelijk maken’. Geconditioneerd gedrag is gedrag dat is aangeleerd, dat onder bepaalde condities tot stand komt en gewoonte wordt.

Conditionering in de opvoeding komt bijna overal voor, als opvoeder doe je dit niet expres. Hooguit gebeurt het onbewust. Om die reden is zelfonderzoek zinvol, uiteindelijk zijn opvoeders ooit zelf kind geweest.

Hier volgen een paar voorbeelden wat de invloed kan zijn op kinderen.

De rebel: het niet aangepaste kind

Een kind wordt door conditionering in een mal gegoten met de verwachting dat het vervolgens iets doet op een manier zoals dit door de opvoeder – de buitenwereld – als juist wordt gezien. 

Als het kind daar niet aan kan voldoen, om de simpele reden dat het niet binnen zijn eigen aard/natuur ligt, kan het daar last van ondervinden.

Als deze last vervolgens wordt ervaren of bestempeld als problematisch of afwijkend – dat wil zeggen afwijkend van de norm van de buitenwereld – verzwaard dit de last van het kind.

De ‘loser’:  het aangepaste kind

Met hetzelfde resultaat kan ook het tegenovergestelde gebeuren. Een kind past zich wel aan de verwachting van de opvoeder aan en verliest daarmee het contact met zijn ware aard/natuur. Het voorbeeld van de ‘rebel’ en de ‘loser’ zijn twee uitersten, daartussen bestaan allerlei variaties.

Gevolgen voor het gedrag.

Het ongewild aanpassen of het niet toegeven aan de druk van een omgeving kan aanleiding geven tot verschillende gedragssymptomen, waaronder leerstoornissen en depressiviteit. 

Lasten die een kind draagt kunnen tot ver in de volwassenheid blijven bestaan en zelfs een hele levensloop bepalen. Maar het hoeft niet, er is een alternatief.

Algemeen.

In het lijnenspel komen de relaties tussen de verschillende gezinsleden tot uitdrukking.  Die relaties krijgen betekenis in de context van dezelfde kleur, dezelfde afbeelding en dezelfde plaats van het zegel. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de site over de Tzolkin Kalender.

Hier wordt volstaan met een korte toelichting.

De kleur van de zegels: rood, wit, blauw, geel hebben resp. betrekking op initiëren, verfijnen, omzetten en opbloeien.  Er zijn 20 afbeeldingen die verwijzen naar de 20 zegels in de Kalender met ieder een eigen betekenis.  Dezelfde plaats:  een zegel kan op 9 verschillende plaatsen voorkomen:

Op 5 plaatsen in de Penta en en daarnaast op de plaats van het thema-  of  levensdoel, de plaats van het talent, of de plaats van de talentontwikkelaar.

Er is ook een relatie tussen de toonfrequentie.

Tussen mensen kan een relatie bestaan op grond van hetzelfde zegel, terwijl de toonfrequentie anders is. Dat maakt een groot verschil. Hoe die verschillen worden geduid wordt hieronder  toegelicht.

De relatie tussen moeder en vader.

Het zegel van de rode Hemelwandelaar.

Het kernwoord is moed. De essentie van dit zegel is om het leven als een grote ontdekkingsreis te zien en te ervaren. En om de moed te hebben om buitengewone beslissingen te nemen.

Dit zegel komt bij moeder voor op de plaats van de verborgen kracht op toon 4. Bovendien loopt er een lijn van dit zegel naar het talent.  En tenslotte lopen deze lijnen ook naar het levensdoel van vader op toon 13.

De toonfrequentie.

Toon 4 verwijst naar de ontwikkeling van een eigen levensvisie, terwijl toon 13 het einddoel van het levensthema aanduidt.

De essentie van dit zegel.

Als moeder de uitdaging (de kracht van zelfreflectie) in haar leven aangaat, komt er een beweging op gang waarbij de verborgen kracht (moed) in haar potentieel naar boven komt. Het zegel rode Hemelwandelaar is ook het zegel van haar talent. Deel van haar talent is om moedig te zijn: om het leven als een grote ontdekkingsreis te zien en te ervaren. En om de moed te hebben om buitengewone beslissingen te nemen.

In relatie tot toonfrequentie 4:  het ontwikkelen van een eigen levensvisie, krijgt deze kwaliteit voor moeder betekenis. En deze kwaliteit hoort ook bij het levensdoel van vader.

Wie er van beiden ook het initiatief neemt tot het ontwikkelen van deze kwaliteit maakt in feite niet uit.  Als iets in werking wordt gezet bij de ene persoon, zal het ongetwijfeld doorwerken in het systeem van de ander. Dat is de kern van de systeemtheorie.

Gebeurt dit door beiden, dan kan men elkaar tot steun zijn in de partnerrelatie, en daarnaast ook in de rol als opvoeder.

Lukt het niet om deze kwaliteit te ontwikkelen, blijft de een of beiden vasthouden aan de schaduwzijde van de kwaliteit,  dan is de kans aanwezig dat uit angst voor het onbekende wordt vastgehouden aan routines. Dit kan de eigen persoonlijke ontwikkeling stagneren, maar ook de ontwikkeling van de relatie.

Sommigen mensen met deze zegelkwaliteit kunnen in zo’n geval een teruggetrokken leven gaan leiden. De angst is dan sterker dan de moed.

Een brug maken.

Het zicht van de ene persoon – dat wat de een ziet – hoeft niet of niet direct overeen te stemmen met het zicht van de ander. Ieder kijkt altijd vanuit zijn eigen perspectief en van wat op dat moment mogelijk en haalbaar is.

In een partner relatie gaat het ook om de balans tussen  geven en ontvangen. Door het maken van een brug waarbij men elkaar wederzijds een stukje tegemoet komt, kan men elkaar door wederzijds begrip ook steunen in dat proces.

Indien er sprake is van het opvoeden van jonge kinderen is dat eerder noodzaak dan wenselijk.

De relatie tussen moeder, vader én de kinderen.

Het zegel van de rode Aarde.

Het kernwoord is moeiteloos. Dit woord verwijst naar het vermogen om vanuit een innerlijke gesteldheid en alertheid aan te voelen wat de best volgende stap zal zijn. Dan bepaalt het moeiteloze de weg.

Deze kwaliteit komt op 5 plaatsen binnen dit gezin terug.

Bij vader op de plaats van de verborgen kracht op toon 10. Bij zoon 1 op de plaats van de ondersteunende kracht op toon 13,  bij zoon 2 op de plaats van de uitdaging op toon 6 en en bij de dochter op de plaats van de gidskracht op toon 10.

Hoe kan dit geduid worden?

De toonfrequentie bij vader en dochter is gelijk, de plaats van het zegel verschilt. Toon 10 verwijst naar de manifestatiekracht om uitdrukking te geven aan het thema en levensdoel.

Zoals we hierboven hebben gezien is het levensdoel bij vader rode Hemelwandelaar. Het zegel rode Aarde (moeiteloos) staat bij de dochter op de plaats van de gidskracht waar uit afgeleid kan worden dat vader door haar wordt ondersteund bij het naar boven brengen van zijn verborgen kracht.  Heel jonge kinderen zijn enorm krachtig zolang ze nog dicht bij hun eigen potentieel zijn.

Als kinderen geboren worden brengen ze liefde mee, al het andere leren ze hier.

De kwaliteit van moeiteloos staat bij zoon 1 op de plaats van de ondersteunende kracht, waardoor vader ook steun kan ervaren van deze zoon. Ditzelfde geldt ook in de relatie broer en zus.  Bij zoon 2 staat deze kwaliteit bij de uitdaging.

In praktijk kan dit betekenen dat er 3 leden uit het gezin: vader, broer én zus hun kwaliteit spiegelen aan deze zoon, waardoor er een krachtige stimulans naar hem uit kan gaan om zijn uitdagende kracht aan te boren.

Echter: alles is mogelijk. De schaduwkant van deze kwaliteit wordt gesymboliseerd door gedrag dat te maken heeft met te veel in dromen en visioenen leven, te snel met oordelen klaar staan, zweverig zijn of de oriëntatie verliezen.

Elk van deze 4 personen in dit gezin kan zowel de zon- als schaduwkant van deze kwaliteit uitleven en in die zin een spiegel zijn voor één van de anderen. Dit wijst er ook op dat men voorzichtig moet zijn met het trekken van conclusies.

Een zorgvuldige afweging is noodzakelijk om een juiste afweging te maken. Hier speelt wel mee dat als vader als opvoeder helderheid heeft over zijn verborgen kracht, dat wil zeggen dat hij zowel de zon- als schaduwkant van deze kwaliteit in zichzelf herkent, hij zijn kinderen tot steun kan zijn bij het ontwikkelen van hun kwaliteit.

Dit raakt tenslotte aan de essentie van de kracht van de opvoeder: de kracht van Ken U Zelve.

Het beeld van dit gezin hoeft niet de werkelijkheid te zijn. Het is een mogelijkheid, geen wet. Het laatste woord is wat dat betreft aan de ouders zelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het eendennest.

In een vijver verscholen tussen het riet drijft een eendennest. Het is bijna niet te zien door de takken van de wilgenboom die naast de vijver staat. Door het gekwetter en gespetter wordt duidelijk dat daar een eendenfamilie woont. Vader, moeder en zeven jonge eendjes.

Op een dag krijgen de jonge eendjes te horen dat ze op vakantie gaan. Voor het eerst van hun leven gaan ze verder dan de bekende vijverplas en iedereen is er een beetje opgewonden over. Ze kunnen bijna niet wachten tot de volgende dag, want dan gaat de tocht beginnen. 

Als vader en moedereend de volgende morgen het nest met takken hebben afgedekt en de regels voor onderweg zijn besproken, is het tijdstip voor vertrek dan toch echt aangebroken. Vader eend zwemt voorop, daar achter volgen de kinderen en moeder eend sluit de rij.

Zo zwemmen ze van plas tot plas tot ze aan het eind van de dag bij een groot meer komen. Aan de ene kant zijn er bossen en aan de andere kant hoge bergen waar de zon nog net bovenuit komt. Iedereen is moe van de lange reis en wil het liefst een plekje zoeken in het riet om uit te rusten.

De vliegles.

De volgende dag worden de eenden al vroeg gewekt door de zon. Uitgerust spartelen ze op het meer rond, doen tikkertje met elkaar en verzinnen de leukste spelletjes om zich te verstoppen in het riet. Zo genieten ze van elkaar en alle nieuwe dingen. Maar het leukste bewaren vader en moeder voor de laatste dag. Dan leert vader zijn kroost vliegen. Dat kunnen ze goed gebruiken want de weg terug naar huis is lang en door te vliegen zijn ze er zo.

Het is een drukte van belang als vader aan de vlieglessen begint. Door alle drukte heeft hij niet in de gaten dat er een eendje bij is die het allemaal niet zo leuk vindt. Het durft niet te vertellen dat het bang is om te vliegen en uit schaamte verstopt het zich tussen het riet.

Vliegangst.

En zo komt het dat vader en moeder aan het eind van de dag zonder hem vertrekken. Hij ziet met tranen in zijn ogen zijn broers en zusjes met vader en moeder over het meer steeds kleiner worden. Als ze even later opstijgen en over de hoge bergen verdwenen zijn, snikt hij het uit van verdriet.

Wanhopig probeert hij zelf opnieuw te vliegen nu hij alleen is, maar het lukt hem niet om zijn vleugels te spreiden en van het water los te komen. De gedachte dat hij niet meer wordt gedragen door het water maakt hem zo bang, dat zijn vliegpogingen steeds weer mislukken.

Uitgeput zoekt hij een plekje in het riet. De slaap wil maar niet komen, hij mist zijn familie en hij is boos op zichzelf omdat hij zo dom is geweest om niets te vertellen over zijn angst. En daar moet hij ook weer om huilen, hij voelt zich ellendig en alleen.